Kleine meisjes worden groot …

“Zeg zoon, zou dat niets voor jou zijn?”
Mijn moeder heeft het meermaals gevraagd. Zo’n 30 jaar geleden.
Telkens we mijn grootmoeder langs moeders zijde gingen bezoeken kon ik me aan die vraag verwachten. Mijn moeder verwachtte haar steevast aan hetzelfde antwoord: “3 keer ma: nu niet, nooit niet, van me leven niet!”

20 jaar later stel ik één vraag:
“Zeg mevrouw, hier zijn toch ook nog andere jongens hé?”
“Jazeker”, zegt de mevrouw die de inschrijvingen doet. “Het aantal jongens en meisjes is hier netjes verdeeld!”

Op 1 september ga ik dan maar met een gerust hart richting dat gebouw dat me jaren geleden telkens de nodige huiveringen bezorgde. Ik word netjes afgezet op de parking en meteen krijg ik flashbacks. De geur van ether, dettol, alcohol, witte jassen, zusters (lees: nonnen) die je tot stilte aanmanen, de stilte die doorbroken wordt door piepende bedden, het stille gekreun dat je tegemoet komt vanuit een open deur, de geur van slappe koffie en flauwe soep (en niet te vergeten: urine en stoelgang) die in de gangen rondwaart, … .

Ik roep mezelf tot de orde, doorstappen is de boodschap! Het is immers nog een flink eind wandelen van de parking doorheen het park tot de plek waar ik moet zijn.
Onderweg groet ik bedeesd verschillende witte jassen en kijk vol medelijden naar mensen in rolstoel waarvan ik me afvraag of ze überhaupt beseffen waar ze zich bevinden?

Ik spurt het gebouw en volg de handwijzers “Welkom!”
In de gang merk ik een wandklok op en zie dat ik mijn oude gewoonte niet achter gelaten heb. Ik ben weer eens te laat.
Na de derde handwijzer sta ik plots voor een dubbele open deur. Ik kijk naar binnen en bevries.

Een aula zoals ik nog nooit gezien had. Klapstoeltjes die rij na rij vullen, trapsgewijs naar onder.
In de grote leegte onderaan staat iemand met een micro in de hand te brabbelen. Ik versta er niets van. Wat ik wel meteen zie: heel die aula zit vol met meiden. In alle mogelijke vormen, kleuren, formaten, geuren, … .

Ik weet niet wat me overkomt. Twee maanden eerder studeerde ik af in een typische jongensschool. 500 jongens, 6 meisjes. Hier zaten welgeteld 320 meisjes, 1 jongen. Ik.

Je weet zelf niet waar je eerst moet kijken maar al die meiden in die aula weten dat wel. Kijken naar die enige kerel die het presteert om te laat te komen. Ik dus. Meteen wisten ook die 320 meiden wie ik was. Het mens op het podium vond het nodig om mij meteen een hartelijke welkom te geven. Ze drukte mij op het hart: “je zal als enige man verwend worden tussen al deze dames!”

30 seconden, meer had ik niet nodig om 10 keer te sterven.
Tussen een sterfbeurt door wist ik in mijn linker ooghoek een vrije stoel te ontwarren.
En daar plofte ik mij op neer, het hoofd diep tussen de schouders, het schaamrood op mijn kaken.

Na een kwartier kon ik de nodige moed verzamelen om door de wimpers van mijn linkeroog te kijken. En daar zat een meisje.

4 jaar later:

by | 20 February 2021 | Bedenkingen | 0 comments

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *